Stefan van der Pal; hardloper, triatleet en sportdocent

“Er is iets waardoor ik de grenzen niet ‘zie’. Die betekenen niets voor mij. De ongeschreven regel dat je voor een marathon niet verder dan 32 kilometer mag trainen, zegt me niks. Ik loop dan gewoon zestig kilometer. Daarna ben ik een beetje stijf en moe natuurlijk, maar voel me verder prima.

 

Dat had ik vroeger al. Ging ik vier of vijf uur fietsen en nam ik bewust niks te eten mee. Kijken hoe lang ik het kon uithouden. Ik wilde weten hoe dat voelde. Ik heb wel eens ergens aangebeld met de vraag of iemand een glaasje water voor me had. Kreeg ik er ook nog een koekje bij. Geweldig!

 

Op die manier heb ik mijn lijf goed leren kennen en durf ik uitdagingen aan te gaan. Ik vind dat je eerst iets moet proberen voordat je kunt zeggen dat het niet kan. Als ik me fit voel, ga ik. En mentaal? Ik denk daar niet te veel over na. Ik vind altijd dat je jezelf niet moet beperken. Pijn doet het toch wel. Op een gegeven moment deed ik ieder weekend een halve of hele traithlon.

Het gevolg van een slechte zwemervaring in mijn jeugd

Lopen en fietsen waren daarbij geen probleem. Zwemmen was de zwakste schakel. Daar verloor ik in het begin het meeste op. En er was nog iets mee. Ik kwam eens op jonge leeftijd al spelend in een zwembad onder water klem te zitten, onder een drijvende basket. Laten we zeggen dat dat een slechte zwemervaring was. Zwemmen was daardoor lange tijd verre van favoriet en toen ik startte met triathlons kreeg ik het in het begin bij zo’n massale start altijd flink benauwd. Je krijgt klappen, er wordt geschopt en geduwd om maar weg te kunnen komen. Daar zaten soms angstige momenten bij.

 

Er zat maar één ding op, trainen om zo hard mogelijk weg te kunnen zwemmen. Ik wilde koste wat kost na het startschot meteen vooraan liggen. Weg van iedereen en de ruimte hebben. Daar zijn niet alleen conditie en kracht, maar ook techniek voor nodig. Ik heb jaren geïnvesteerd in zwemtrainingen om explosief weg te kunnen zwemmen.

 

Het is zo’n acht jaar geleden dat ik twee trainingen op een dag deed. Fietsen, zwemmen of hardlopen. Wat het zwemmen betreft trainde ik vier tot vijf keer per week van zes tot acht uur ’s morgens in het zwembad. Eerst werd ik tijdens de trainingen steeds beter. In wedstrijden bleek ik uiteindelijk helemaal niet sneller te worden. Ik begreep maar niet waarom het juist dan niet wilde. Ging ik nog harder trainen.

Bij veel mensen stopt het bij 42 kilometer. Bij mij niet. Dat had ik als kind al, dat ik mezelf wilde uitdagen door zonder eten op zak kilometers ver te gaan fietsen. Kijken hoe lang ik het vol kon houden. Ik wil constant mijn grenzen verleggen, en ben niet bang voor pijn

Harder trainen doe je eigenlijk alleen maar uit onzekerheid

Het gevolg was dat ik overtraind raakte. Jarenlang had ik mijn lichaam flink afgebeuld. Op dat moment was er een grens bereikt. Ik besloot nog maar twee keer in de week die zwemtrainingen te doen. Vanaf dat moment ging ik wél harder. Zo heb ik geleerd dat rust belangrijk is. Je moet goed kunnen herstellen, en je bent je conditie, je uithoudingsvermogen echt niet zomaar kwijt. Het gaat er op zo’n moment om dat je vertrouwen hebt in jezelf. Harder trainen doe je eigenlijk alleen maar uit onzekerheid. Als je weet wat je kan, zowel fysiek als geestelijk, schrik je niet van iemand die bij je wegfietst. Je moet bovendien accepteren dat je pijn krijgt, soms misselijk wordt. Hoort er allemaal bij.

 

In 2017 draaide ik mijn beste seizoen tot nu toe. Ik deed mee aan de Ironman in Hamburg en werd een jaar later tweede in de Elfsteden Ultraloop. Ik had graag die in Hawaï gedaan, maar kon me er niet op tijd voor kwalificeren. Ik kreeg tijdens het voorafgaande traject een hersenvliesontsteking. Toen ik opteerde voor de race in Hamburg, kreeg ik te horen dat dat niet zou kunnen, maar ik ben er toch voor gegaan. Ik heb nog even op kop gefietst, maar bij het hardlopen ging het mis. Ik had gewoon niet genoeg inhoud. Dat voelde op z’n minst heel vervelend. Het is een smetje op mijn sportcarrière.

Ik ben niet trots op mezelf, wel op mijn vrouw Marianne

Of ik trots ben op wat ik tot nu toe bereikt heb? Nee, ik ben niet trots op mezelf. Nooit. Ik ben wel trots op mijn vrouw Marianne. Kijk, ik hoef voor die Elfsteden Zwemtocht alleen maar te trainen. Terwijl ik urenlang ‘tig baantjes in een zwembad afleg, verzorgt zij de kinderen, laat de hond uit, regelt allerlei zaken om die zwemtocht heen. Daar heb ik enorm veel respect voor. Dat is veel omvangrijker dan uren in een zwembad liggen.

 

Of ik inmiddels mijn grens heb bereikt? Nee, het voelt als nooit goed genoeg. Dat kun je zien als een kernkwaliteit, maar is ook mijn valkuil. Ik moet de balans houden, maar ik blijf dromen hebben. De 120 van Tessel bijvoorbeeld of de Spartathlon. Ik laat me voorlopig nog niet beperken. Dat had ik al in mijn jeugd. Had ik een vriendinnetje in Emmen, ging ik er rustig op de fiets naartoe. Had ik dat gedaan dan wilde ik het ook een keer hardlopend proberen. Vonden mensen gek, maar ik vind niks gek.”

Laat nu een loopanalyse doen in ons looplab!